De maatschappij: één groot systeem

Hoeveel mensen zijn er betrokken bij het maken van een potlood? Of bij het totstandbrengen van een taxirit? Het antwoord schuilt in wat je een Wereldwonder, Beter Bekend Als Het Dagelijkse Leven kunt noemen.

In onderstaande tekst (gekopieerd uit De Correspondent) verbaast Rob Wijnberg zich over de complexiteit en samenhang van het systeem: ‘de maatschappij’.


Stop even met lezen, kijk op van je scherm en probeer eens een antwoord de vinden op de volgende vraag: hoeveel dingen in je omgeving had je helemaal zelf, in je eentje, kunnen fabriceren? En dan bedoel ik: inclusief grondstoffen en gereedschappen die ervoor nodig zijn om het te maken.

Kijk maar even rustig rond.

Welnu, tenzij je toevallig een collectie prehistorische speren in de kast hebt staan, luidt het antwoord met nagenoeg honderd procent zekerheid:geen enkel.

Van de stoel waarop je zit tot de muren waarbinnen je begeeft, van het eten in je koelkast tot het scherm waarop je dit leest: geen enkel individueel mens heeft de kennis of de capaciteit om het tot stand te brengen. Niets van wat je om je heen aantreft, is het product van slechts één paar mensenhanden en één mensenbrein.

Zie hier de manifestatie van wat je met recht een Wereldwonder Beter Bekend Als Het Dagelijkse Leven kunt noemen: de schaal waarop de menselijke soort samenwerkt. Die schaal is zo onvoorstelbaar groot dat we het nauwelijks merken: het overgrote deel ervan vindt buiten ons gezichtsveld plaats.

We zouden er zelfs met recht onze soortnaam homo sapiens op aan kunnen passen: homo coöporatus. De samenwerkende mens zou ons beter typeren dan de denkende mens. Geen enkel levend wezen op deze planeet werkt namelijk zoveel samen met zijn soortgenoten als wij.

Hoeveel mensen zijn er nodig om een potlood te maken?

De eerste die dit volstrekt alledaagse maar niettemin wonderbaarlijke fenomeen expliciet benoemde was de Amerikaanse econoom Leonard Read in zijn schitterende, en toch niet al te bekende essay ‘I, Pencil uit 1958. Daarin beschrijft Read tot in detail hoeveel mensen er nodig zijn om zoiets ogenschijnlijk simpels als een potlood te maken (trouwe lezers herkennen het voorbeeld wellicht uit een eerder essay van mij).

Hoeveel mensen zijn dat, denkt u? Een stuk of tien? Misschien wel honderd?

Het werkelijke antwoord: miljoenen.

Dat klinkt bizar – en dat is het ook. De productieketen van een simpel houten stokje met een staafje koolstof erin en een gummetje aan het eind, is letterlijkmiljoenen mensen lang.

mijnwerkerGa maar na: alleen al voor de koolstof heb je mijnen nodig; daarvoor moet staal worden gemaakt; waar weer staalfabrieken voor nodig zijn; waar weer elektriciteit bij komt kijken; waar weer olie of gas voor moet worden geproduceerd; waar weer transport voor nodig is; enzovoorts, enzoverder (de lijst is, als je even flink doordenkt, héél erg lang).

Al deze mensen, in al deze mijnen, staalfabrieken, elektriciteitscentrales, olieplatforms, transportbedrijven en alle infrastructuur eromheen hebben stuk voor stuk een minuscuul aandeel in die enorme productieketen die uiteindelijk uitmondt in dat simpele potloodje in jouw bureaula (en bedenk eens hoeveel mensen ervoor nodig waren om dat bureau te maken!).

De historische dimensie

Wie dat eenmaal beseft, kan nooit meer naar dingen kijken met zijn mond dicht. Want wat voor het potlood geldt, geldt voor nagenoeg alles om ons heen.

Neem, om maar iets te noemen, de bureaustoel waarop je zit. Van het plastic tot het stof, van het aluminium tot het staal, maar ook: van het papier waarop de eerste schetsen werden gemaakt tot de computer waarmee ze werden uitgewerkt – alleen al het aantal grondstoffen dat daarvoor nodig is, is mind-blowing.

En dat is alleen nog maar als je meetelt wat er nu voor nodig is om zo’n stoel te maken. Voeg je ook de historische dimensie toe, dan wordt het nog onvoorstelbaarder, constateert ook correspondent Rutger Bregman in zijn boek De geschiedenis van de vooruitgang.

Want, als het papier niet was bedacht, de olie niet was ontdekt, de stoommachine niet was verzonnen, de elektriciteit niet was uitgevonden (en ga zo maar door), dan was ook die geavanceerde, moderne bureaustoel waarop je dagelijks zit nooit tot stand gekomen.

Die wieltjes onder de poten? Een uitvinding van alweer een jaartje of zesduizend geleden.

Hoezo, de mens wordt steeds individualistischer?

Over de aard van de menselijke soort doen vele, niet al te hoopgevende theorieën de ronde. De mens zou van nature vooral egoïstisch zijn en – een veelvuldig gedebiteerde theorie over de moderne tijd – steedsindividualistischer worden.

Hele ideologieën zijn zelfs gebaseerd op dit soort veronderstellingen. Van het conservatisme tot het christendom: ten grondslag aan deze denksystemen ligt een diep pessimistische kijk op de menselijke natuur. Een kijk die min of meer samen te vatten is als: goed doen kun je de mens weliswaar leren (via moraal, wet, straf en opvoeding), maar slecht doen is waar hij uit zichzelf het meeste toe neigt.

Wie uitzoomt, ziet dat de mensheid met stip tot de meest coöperatieve soort op de planeet hoort. Een feit dat je maar zelden benoemd ziet

Die pessimistische kijk is niet zo heel vreemd. Want in het alledaagse leven zien we die egoïstische kant van de mens vaak genoeg om ons heen – van de huisgenoot die nooit eens meehelpt in het huishouden tot de voordringer in de rij bij de kassa. Om nog maar te zwijgen over het gedrag waarmee we voortdurend geconfronteerd worden via het nieuws: corrupte bestuurders die snoepreisjes maken op kosten van de belastingbetaler, bankiers die bizarre bonussen opstrijken.

Maar dat is op microniveau. Wie uitzoomt, ziet dat de mensheid met stip tot de meest coöperatieve soort op de planeet hoort. Een feit dat je maar zelden benoemd ziet, maar waarvan alles om ons heen – van de producten die we consumeren tot de culturen die we hebben voortgebracht – het verbijsterend indrukwekkende bewijs is.

Homo coöporatus

Dat homo coöporatus dan ook een betere soortnaam voor de mens zou zijn is niet iets wat je alleen van mij hoeft aan te nemen, het is ook de overtuiging die je overhoudt aan het werk van de Britse evolutiebioloog Matt Ridley. Zijn voornaamste stelling: de mens heeft zijn onbedreigde positie aan de top van de voedselketen voornamelijk aan deze ene eigenschap te danken – zijn ongeëvenaarde bereidheid tot samenwerking.

De gereedschappen die chimpansees gebruiken zijn al vele millennia lang geen millimeter complexer geworden. Vergelijk dat dan eens met een iPhone

Vergelijk ons maar met de chimpansees. Allerminst domme dieren, genetisch zeer overeenkomstig met de mens, tot op zeker hoogte zelfs – net als wij – denkende wezens. En toch haalt hun ontwikkeling het bij lange na niet bij die van ons. Kijk alleen al naar de gereedschappen die ze gebruiken: die zijn al vele millennia lang geen millimeter complexer geworden dan een steen om een walnoot mee open te slaan. Vergelijk dat eens met net gepresenteerde iPhone 6: je kunt nog honderden miljoenen jaren wachten, geen chimpansee die zoiets ooit zal uitvinden.

En de verklaring is simpelweg: chimpansees werken maar op zéér beperkte schaal samen. Ja, ze leren van elkaar hoe ze een walnoot open moeten maken en wat ze moeten doen als er een roofdier in de buurt is. Maar veel verder dan dat – en vooral: veel verder dan hun eigen, directe (familie)kring – strekt het niet.

Ook al heeft de ene groep chimpansees ontdekt hoe je een vrucht uit de boom schudt, honderd kilometer verderop begint een andere groep chimpansees weer van voor af aan. Je zou haast zeggen: chimpansees vinden steeds weer opnieuw het wiel uit, ware het niet dat ze niet genoeg samenwerken om ooit zoiets als het wiel uit te kunnen vinden.

De mens daarentegen: dat is een heel ander verhaal. Tussen de eerste steen waarmee de pre-historische mens zijn noten openkraakte en de iPhone waarmee hij een willekeurig ander mens waar ook ter wereld te spreken kan krijgen, zit slechts een paar duizend jaar aan ontwikkeling. En de rode draad van die paar duizend jaar is: samenwerking op een schaal die iedere andere diersoort vreemd is.

Een explosie van specialisatie

Die samenwerking bestaat volgens de bioloog Ridley grofweg uit twee bestanddelen: uitwisseling en specialisatie. Bij ‘uitwisseling’ ligt het voor de hand aan simpele ‘ruilhandel’ te denken, maar het betreft meer dan dat. Niet alleen wisselt de mensheid al sinds den beginne goederen en diensten met elkaar uit (voedsel voor gereedschappen, beschutting voor vervoer), ze wisselt ook – en als enige – ideeën met elkaar uit.

Elke vogel is slim genoeg om te bedenken hoe je van een paar takken een nestje bouwt, maar geen enkel mens bezit de know-howom zoiets als een computermuis in elkaar te zetten

Vooral dát simpele feit heeft onze soort in de vaart der volkeren gestoten, zegt Ridley, omdat op die manier onze intelligentie cumulatief werd. Doordat onze ideeën ‘seks met elkaar hebben,’ zoals Ridley het op geestige wijze formuleert in zijn onvolprezen boek The Rational Optimist, stapelde onze kennis zich in een werkelijk verbijsterend hoog tempo op.cooperation

En daarom is elke individuele vogel weliswaar slim genoeg om in z’n eentje te bedenken hoe je van een paar takken een nestje bouwt, maar bezit geen enkel individueel mens de know-how om zoiets als een computermuis in elkaar te zetten. Anders dan dat nestje is die muis namelijk het product van een heel, heel lange opeenstapeling van kennis, tot stand gekomen door de uitwisseling van ideeën over vele duizenden jaren.

Die constante uitwisseling van kennis stelde de menselijke soort in staat tot die andere cruciale factor in onze ontwikkeling: specialisatie. Omdat de mens de vruchten van het werk altijd en overal deelt met zijn soortgenoten (hoezo egoïstisch?), kan eenieder zich toeleggen op één specifieke taak.

Die specialisatie beperkte zich in eerste instantie tot heel basale zaken, zoals: de man joeg en de vrouw verzamelde. Maar al vrij snel specialiseerde een deel van de mensheid zich in de landbouw, waardoor anderen – vrijgespeeld van de last om eten te vinden – zich konden toeleggen op andere zaken. En toen ging het snel.

Razendsnel.

Kijk nu om je heen en je ziet een explosie van specialisatie die zijn weerga niet kent: van ramen wassen tot Engels doceren, van straten aanleggen tot diezelfde straten vegen – bijna iedere minuscule taak in het complexe raderwerk dat de samenleving is geworden, wordt uitgeoefend door een daartoe gespecialiseerd individu. Het is die specialisatie die de mens in staat stelde tot het bouwen van complete – en zeer complexe – beschavingen en culturen.

Zo alledaags dat je het over het hoofd ziet

Die beschavingen en culturen zijn alleen zo vanzelfsprekend en alledaags dat je nauwelijks doorhebt hoe wonderbaarlijk ze eigenlijk zijn. Zoals ook de samenwerking die ervoor nodig was om ze te bouwen gemakkelijk over het hoofd te zien is.

Dat komt ook doordat de meeste samenwerking plaatsheeft buiten onze directe ervaring om. Gevraagd naar met wie wij zoal samenwerken, denken we algauw aan degenen in onze directe nabijheid: onze collega’s op het werk, de leden van onze vereniging.

Ook al heb je slechts te maken met een tweetal – de telefonist en de chauffeur -, in werkelijkheid is een taxiritje een samenwerking tussen ettelijke miljoenen mensen

Wat we niet zien, is dat de samenwerkingsverbanden die wij voortdurend aangaan, vele malen verder strekken dan dat. Wanneer ik een taxi bestel bij de taxicentrale, dan zijn daar niet alleen de telefonist die de taxi stuurt en de chauffeur die de taxi rijdt bij betrokken.

Nee, ook de mensen die de wegen hebben aangelegd, de auto hebben gebouwd, de benzine hebben geproduceerd, de verkeersregels hebben bedacht, de stoplichten hebben geïnstalleerd, de TomTom hebben uitgevonden: stuk voor stuk zijn zij indirect onderdeel van dit simpele ritje van a naar b. Om nog maar te zwijgen van hen die de telefoon hebben gemaakt waarmee ik de taxi bestelde en zij die het geld hebben gedrukt waarmee ik de rit afreken.

En u begrijpt: ik kan hier bijna eindeloos lang mee doorgaan. Ook al heb je slechts te maken met een tweetal – de telefonist en de chauffeur -, in werkelijkheid is zoiets basaals als een taxiritje een samenwerking tussen ettelijke miljoenen mensen.

En die samenwerking is ook nog eens in toenemende mate grenzeloos, constateert Rutger Bregman. Kijk bijvoorbeeld eens naar deze kaart, afkomstig uit zijn volgende week te verschijnen boek Gratis geld voor iedereen.  Hierop is te zien wie er allemaal betrokken zijn bij het produceren van één simpele pot Nutella chocoladepasta:

Illustratie: Momkai
Illustratie: Momkai

U ziet het goed: dat simpele chocoladegoedje dat wij iedere ochtend achteloos op onze boterham smeren, is afkomstig uit bijna alle uithoeken van de wereld.

Wat zo’n potje wel niet moet kosten, vraagt u? 2,69 euro.

Wonderbaarlijk, ja.

En de keerzijde dan?

Nu zult u wellicht denken: allemaal leuk en aardig, maar is die ‘samenwerking’ die jij hier bewierookt niet ook verantwoordelijk voor evenzoveel ellende, op ongekende schaal?

Plastic soep in de wereldzeeën, gevaarlijke hoeveelheden CO2 in de lucht, uitputtende energievoorraden: ook dat is allemaal het gevolg van die leuke bureaustoelen en taxiritjes. Om nog maar te zwijgen van de ongelijkheid die het in de hand werkt: de supermarkteigenaar kan misschien een aardige boterham smeren van die pot Nutella, maar kan de Braziliaanse cacaoboer dat ook?

Allemaal terechte kanttekeningen. Zoals alles in de wereld, kent ook de samenwerking tussen mensen enorme keerzijden.

Het goede nieuws is: het is óók diezelfde samenwerking die deze keerzijden veel minder onoverkomelijk maakt dan ze vaak lijken. Want juist omdat wij allemaal onderdeel zijn van enorme samenwerkingsverbanden, reikt onze invloed verder dan je op grond van je eigen dagelijkse handelen zou denken.

Want ja, we vervuilen de planeet en verdelen de vruchten van onze samenwerking oneerlijk, maar het ‘rimpeleffect’ werkt net zo hard de andere kant op: wie, bijvoorbeeld, wél een eerlijke kop koffie koopt, helpt niet alleen de koffieboer, maar ook zijn zoon (die daardoor wél naar school kan), en de buurt (omdat de zoon niet het criminele pad op gaat), en het land (omdat de welvaart stijgt) en het continent (omdat het land meer handel kan drijven) enzovoorts enzoverder.

Dat rimpeleffect maakt geen enkel probleem werkelijk onoverkomelijk. In die zin zijn we zelfs in een uniek tijdperk aanbeland, nu in grote delen van de wereld de diensteneconomie zich langzaam maar zeker begint te evolueren in een deeleconomie: samenwerking tussen mensen over vele duizenden kilometers afstand is nooit zo makkelijk geweest als nu – en wordt iedere dag makkelijker. De potentie daarvan is, nu ja, onvoorstelbaar.

Tienduizend jaar geleden was de eerstvolgende 24 uur overleven geen vanzelfsprekendheid, nu is tachtig jaar oud (!) worden de norm. Hoe dat kan?

Het Wereldwonder genaamd Menselijke Samenwerking.

Een woord van dank: De ideeën in dit stuk hadden nooit kunnen ontstaan zonder seks met de ideeën van collega Rutger Bregman, wier ideeën het weer hebben gedaan met bioloog Matt Ridley, wiens geest het bed deelde met wetenschapper Richard Dawkins, de maîtresse van Charles Darwin.

rimpeleffect

Reageer hier op dit artikel!